Gerrit Kouwenaar, Roerloos

Gerrit Kouwenaar
roerloos

Terwijl men het vuur opstookt zet de herfst
zich vast in het huis, voor twijfel
moet men naar buiten, daar is het nog tijd

jaren later is dit, een vandaag, dun goud
van vergeefsheid, het bladdert, dit gaat
over jeugd, het uiterste afscheid, men ziet
het eind van de tuin

altijd het roerloze staan op het steen in de wind
die voorbijgaat, altijd het vruchteloos fruit
rond de krijtwitte vijver

wat beklijft van de doorreis? waar versuikert
de honing? wat bezonk in de kolven? niemand
waar men zich nalaat, zich aflegt
in latere woorden

om hier te staan nog, een afschrift, terwijl
geen ander zicht dan een voorhang, verte
van letters, niets is daarachter —

Gerrit Kouwenaar
stirless

While stoking the fire, Autumn
takes hold of the house, for doubt
one must go out, there still time is left

years later this is, a today, flimsy gold
of futility, it blisters, this concerns
youth, the ultimate goodbye, one sees
the end of the garden

always the stirless standing on stone in the wind
that passes, always the fruitless fruit
around the chalk-white pond

what lasts of the passage? where crystallizes
the honey? what settled in the flasks? nobody
to bequest oneself, to perform ones last offices
in later words

to stand here still, a transcript, while
no other sight than a curtain, distance
of letters, nothing is behind it —