Locus amoenus

«[In de Roman de la Rose (1230) is de tuin] prominent aanwezig als een imaginaire plek waarop de hele erotische beschaving van die tijd wordt geprojecteerd. Daarmee echoot de hortus conclusus op bijzonder aansprekende wijze de locus van Arcadia, waarin de liefdestaferelen van de klassieke literatuur zich afspeelden. Deze aangename plek, ook wel locus amoenus genoemd, ontleent haar sjabloon aan de dichters Vergilius en Horatius. Bij hen wordt met groot literair raffinement de aangename verpozing omgetoverd tot een allegorisch concentraat, dat sterke utopische trekken vertoont. In Ovidius’ Metamorfosen wordt deze topos echter voorzien van een bruuske omkering: alles wat lieflijk is kan in één klap vreselijk worden, van vorm en substantie veranderen. De zekerheid van de wereld wankelt in de Metamorfosen. Juist in de arcadische restanten van de oude mythen schuilt blijkbaar reeds het hele existentiële dilemma. Wat bij Vergilius als arcadische en herderlijke veiligheid verschijnt, wordt in de vertellingen over de metamorfosen een ambivalente, door de aloude Griekse tragiek getekende duistere plek waarin hemel en heerlijkheid in een oogwenk kunnen veranderen in schrijnende tragiek. Het aards paradijs wordt bij Ovidius, net als in de christelijke metaforiek, meteen verduisterd door het eigen diabolisch tegendeel.

[…] De locus amoenus blijkt vaak dit soort tussen-plek te zijn, een plek van overgang van het ene stadium naar het andere. Dat verklaart ook de grote populariteit van wat men in de laatmiddeleeuwse en vroege renaissancistische literatuur kende als de zogenaamde Natureingang. Nagenoeg elk tafereel begon met het beschrijven van het landschap, het seizoen, ja zelfs de weersomstandigheden waarin het verhaalde zich moest gaan afspelen. Meestal ging het om de pas ontluikende natuur, die het beginnende boek weerspiegelde: alles is vervuld van verwachting.

De Duitse exegeet Ernst Robert Curtius heeft in zijn beroemde standaardwerk Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter de locus amoenus als technische term opnieuw gelanceerd en voorzien van een lijst van kenmerken. ‘Sein Minimum an Ausstattung,’ zegt Curtius, ‘besteht aus einem Baum (oder mehreren Baümen), einer Wiese und einem Quell oder Bach. Hinzutreten können Vogelgesang und Blumen. Die reichste Ausführung fügt noch Windhauch hinzu’ (p. 202). Kortom, het landschapje waarin ironisch genoeg Orpheus zijn Eurydice verliest. Het blijft overigens prangend om te beseffen dat Curtius’ mijmering over het arcadische landschap tijdens de oorlogsjaren werd geschreven en in een door bombardementen stukgeschroeid Duitsland verscheen in 1948. De locus amoenus, Lustort van wat ooit de humanistische literatuur was geweest, bleek een verloren Arcadia geworden dat om melancholische exegese vroeg. Curtius wijst op de grote vloed aan middeleeuws-Latijnse teksten waarin de locus amoenus, te midden van pest en oorlogen, steevast bloeide als nooit tevoren.

[…] bij Hölderlin raakt het Duitse landschap bedolven onder de Grieks-tragische reminiscenties, waardoor het een landschap wordt waarin de mens eigenlijk altijd te laat komt, te laat voor de antieke goden die het landschap vorm hebben gegeven. Overal wordt de imaginaire plek bestookt door haar groeiende exterioriteit. De locus amoenus wordt de plek waar men beseft een uitgeslotene te zijn.»

Stefan Hertmans, ‘Locus amoenus. Over een mooi maar bedreigd plekje’, in: De mobilisatie van Arcadia, De Bezige Bij, 2011