Oever en rivier gaan vloeiend in elkaar over. Je denkt te weten waar het water begint, maar als je iets te lang blijft staan zakken je voeten weg in de drassige bodem. Onder de waterspiegel dezelfde begroeiing als aan de walkant; een teken dat het rivierpeil recent is gestegen. Het is moeilijk voor te stellen dat nog maar kort geleden het land enkele meters hoger lag. Of dat de Maas, die hier tussen Borgharen en Itteren over een breedte van driehonderd meter uitwaaiert, lag ingesloten in een smalle bedding. Hoewel: aan de Vlaamse overkant wordt het water begrensd door een steil, met gras overdekt talud. Zo ongeveer moet het er hebben uitgezien voordat de grootschalige werkzaamheden van het Grensmaasproject begonnen.

In 2010 werd tussen Borgharen en Itteren een begin gemaakt met de verbreding van de Maas. Beide dorpjes horen bij Maastricht, maar de stad lijkt ver weg. Als je de landkaart bekijkt, valt op dat hier een langgerekt schiereiland begint dat doorloopt tot de Maasplassen van Midden-Limburg. Ten zuiden en ten westen wordt het omsloten door de meanderende rivier, in het oosten door het Julianakanaal. Dit gebied mag met recht een rafelrand genoemd worden. Je zou denken dat de Grensmaas een uiterst zichtbare barrière vormt in het landschap, maar niets is minder waar. Het grootste deel van de afgelopen eeuw was zij juist aan het oog onttrokken.

De Maas is een regenrivier, dat maakt haar grillig. De aanvoer van water varieert van jaar tot jaar en van seizoen tot seizoen: van bijna niets in droge zomermaanden tot gemiddeld 1.200 m3/s in de winter, met piekdebieten van wel 3.000 m3/s. Bovendien kent het meanderende traject van de Grensmaas een relatief steil verval van ca. 43 cm per kilometer. Bij hoogwater zorgt dat voor een grote stroomsnelheid, in droge zomermaanden voor zeer lage waterstanden. Voor de scheepvaart was het dus altijd al een lastige en onbetrouwbare route.

In 1821 besloot koning Willem I tot aanleg van een kanaal van Maastricht naar ’s-Hertogenbosch om vrachtverkeer tussen het belangrijke industriegebied rond Luik en de noordelijke Nederlanden te vergemakkelijken. In recordtempo werd het kanaal gerealiseerd: in 1826 werd de Zuid-Willemsvaart opengesteld. Wat men toen nog niet kon bevroeden was dat België slechts enkele jaren later de zelfstandigheid zou uitroepen. Tussen Maastricht en Weert liep het kanaal voortaan over Belgisch grondgebied.

Tot ver in de negentiende eeuw kon de Maas zich onbelemmerd door het landschap bewegen, waarbij de loop van de rivier zich vaak verlegde. Landbouwgrond werd meegenomen, soms ontstonden nieuwe aftakkingen, en als de rivier zich terugtrok na een overstroming kon het gebeuren dat een dorp zich opeens op de andere Maasoever bevond. Om de rivier te beteugelen, werd besloten de loop van de Maas vast te leggen. Door aanleg van zomerdijken en stenen beschoeiingen werd de rivier in een smal keurslijf van zo’n zestig meter breed gedwongen. Het idee was dat de waterstand zou stijgen zodat de rivier weer bevaarbaar werd, dat de grillige rivier werd ingetoomd, en dat in geval van overstromingen het overtollige water snel afgevoerd zou kunnen worden richting de zee. Na verloop van tijd bleken deze maatregelen echter niet effectief genoeg, of zelfs contraproductief te zijn. Door versmalling van de rivierbedding en (kleinschalige) grindwinning ontstond er juist een grotere erosie, waardoor de rivierbedding zich nog dieper insleet in de Maasvallei.

Toen begin twintigste eeuw in zowel Belgisch- als Nederlands-Limburg grote steenkoolmijnen werden gesticht, onderzochten ingenieurs uit beide landen de mogelijkheid om de Grensmaas alsnog te kanaliseren. In 1912 verscheen een rapport dat voorzag in de bouw van een groot aantal stuwen en sluizen. Maar dit plan werd nooit uitgevoerd. De Belgen wilden de rivier op sommige plekken niet dieper maken dan 2,60 meter; zo zouden grote schepen Luik alleen via de haven van Antwerpen kunnen bereiken. Dat stuitte uiteraard op tegenstand van Nederland. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staakten de onderhandelingen. Vervolgens besloot Nederland tot aanleg van een eigen kanaal, parallel aan de Maas. In 1925 stak prinses Juliana de eerste schop in de grond en in 1934 werd het Julianakanaal in gebruik genomen, inclusief de stuw in de Maas bij Borgharen die de voeding van het kanaal moest garanderen. In dezelfde periode werd in België het Albertkanaal uitgegraven.

Temidden van deze koninklijke waterwegen meanderde de Grensmaas, ietwat verloren, voort. Zij was veroordeeld tot een symbolische functie: de grens tussen beide landen. En zoals alle grenzen, is het iets waarvan de bewoners zich afwenden. In beide Limburgen richtte men het gezicht naar de mijngebieden, met de kanalen en grote verkeerswegen als levensaders. Door terugdringen van de rivier in een smal zomerbed, door daling van de grondwaterstand en door betere bemesting, konden boeren de gronden tot aan het water in gebruik nemen. Op veel plekken ontnamen mais en graan het zicht op de in het landschap verzonken rivier.

Door intensivering van de landbouw en het gebruik van kunstmest nam de biodiversiteit langs de rivier zienderogen af. Ook de Waalse industrie, die de Maas gebruikte om afvalwater en koelwater te lozen, deed de rivier geen goed. Gedurende de twintigste eeuw raakte de Grensmaas steeds verder veronachtzaamd en vervuild. Halverwege de jaren negentig noemen natuurbeschermers haar zelfs het ‘kadaver van een rivier’.