Maas / Meuse

Overstroming Meers 1925-1926

Overstroming bij Meers, 1925-1926

Over een afstand van ruim vijftig kilometer worden Nederland en België gescheiden door de Maas: van Maastricht tot aan Maasbracht loopt de grens over het diepste punt van de rivier. Als langste natuurlijke grens tussen beide landen vormt zij een uiterst zichtbare en bepalende barrière. Slechts twee bruggen en een handjevol toeristische pontjes maken grensverkeer mogelijk.

Wat mij intrigeert, zijn de verschillende betekenissen die deze rivier met zich meevoert. Van romantisch landschap tot regelrechte bedreiging. Vanwege haar kronkelige loop en grillige karakter is dit deel van de Maas nagenoeg onbevaarbaar voor schepen. Door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (1826), het Julianakanaal (1935) en het Albertkanaal (1946) kon de beroepsvaart de rivier letterlijk links laten liggen. Gedurende de negentiende en twintigste eeuw raakte de Grensmaas veronachtzaamd en vervuild; halverwege de jaren negentig noemen natuurbeschermers haar zelfs ‘het kadaver van een rivier’. De overstromingen van 1993 en 1995 die grote delen van Nederlands-Limburg troffen, met name de dorpen Itteren en Borgharen, waren katalysator voor een gezamenlijke aanpak van de Maasproblematiek.

Ik onderzoek op welke manier de Maas het omringende land verbindt en verdeelt. Aanknopingspunt is het Grensmaasproject dat in 2008 van start gegaan is en zo’n vijftien jaar zal duren. Aan Nederlandse en Belgische zijde van de Maas worden maatregelen getroffen om wateroverlast te beperken, onder meer door verbreding van de rivierbedding en de aanleg van overloopgebieden. Deze projecten worden mede gefinancierd door grootschalige zand- en grindwinning uit de rivier. Waar de grondverzetmachines klaar zijn wordt nieuwe, ‘ruige’ natuur gecreëerd. De betrokken overheden en overige partijen hebben weliswaar gezamenlijke doelstellingen geformuleerd, maar de weg daarnaartoe verschilt nogal aan weerszijden van de rivier. Welke belangen spelen een rol? Welke ideeën over watermanagement en natuurbeheer? Welke beslisstructuren?

De research start op basis van literatuuronderzoek van verschillende sociaal-/natuur-/historische bronnen, berichtgeving in regionale kranten en beleidsnota’s. Dit wordt gevolgd door veldverkenningen langs de rivier: te voet, met de fiets, per kano of per boot. Stroomopwaarts van Maaseik tot Ternaaien/Lanaye en stroomafwaarts van Eijsden tot Maasbracht. Daarbij is ruimte voor geplande en toevallige ontmoetingen met waterwerkers en oeverbewoners.

Dit onderzoek wordt ondersteund door een bijdrage van de Vlaams-Nederlandse Journalistenbeurs, een initiatief van de Algemene Afvaardiging van de Vlaamse Regering in Nederland en de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Brussel, in samenwerking met de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ).

Kadaver van een rivier

Oever en rivier gaan vloeiend in elkaar over. Je denkt te weten waar het water begint, maar als je iets te lang blijft staan zakken je voeten weg in de drassige bodem. Onder de waterspiegel dezelfde begroeiing als aan de walkant; een teken dat het rivierpeil recent is gestegen. Het is moeilijk voor te stellen dat nog maar kort geleden het land enkele meters hoger lag. Of dat de Maas, die hier tussen Borgharen en Itteren over een breedte van driehonderd meter uitwaaiert, lag ingesloten in een smalle bedding. Hoewel: aan de Vlaamse overkant wordt het water begrensd door een steil, met gras overdekt talud. Zo ongeveer moet het er hebben uitgezien voordat de grootschalige werkzaamheden van het Grensmaasproject begonnen.

In 2010 werd tussen Borgharen en Itteren een begin gemaakt met de verbreding van de Maas. Beide dorpjes horen bij Maastricht, maar de stad lijkt ver weg. Als je de landkaart bekijkt, valt op dat hier een langgerekt schiereiland begint dat doorloopt tot de Maasplassen van Midden-Limburg. Ten zuiden en ten westen wordt het omsloten door de meanderende rivier, in het oosten door het Julianakanaal. Dit gebied mag met recht een rafelrand genoemd worden. Je zou denken dat de Grensmaas een uiterst zichtbare barrière vormt in het landschap, maar niets is minder waar. Het grootste deel van de afgelopen eeuw was zij juist aan het oog onttrokken.

De Maas is een regenrivier, dat maakt haar grillig. De aanvoer van water varieert van jaar tot jaar en van seizoen tot seizoen: van bijna niets in droge zomermaanden tot gemiddeld 1.200 m3/s in de winter, met piekdebieten van wel 3.000 m3/s. Bovendien kent het meanderende traject van de Grensmaas een relatief steil verval van ca. 43 cm per kilometer. Bij hoogwater zorgt dat voor een grote stroomsnelheid, in droge zomermaanden voor zeer lage waterstanden. Voor de scheepvaart was het dus altijd al een lastige en onbetrouwbare route.

In 1821 besloot koning Willem I tot aanleg van een kanaal van Maastricht naar ’s-Hertogenbosch om vrachtverkeer tussen het belangrijke industriegebied rond Luik en de noordelijke Nederlanden te vergemakkelijken. In recordtempo werd het kanaal gerealiseerd: in 1826 werd de Zuid-Willemsvaart opengesteld. Wat men toen nog niet kon bevroeden was dat België slechts enkele jaren later de zelfstandigheid zou uitroepen. Tussen Maastricht en Weert liep het kanaal voortaan over Belgisch grondgebied.

Tot ver in de negentiende eeuw kon de Maas zich onbelemmerd door het landschap bewegen, waarbij de loop van de rivier zich vaak verlegde. Landbouwgrond werd meegenomen, soms ontstonden nieuwe aftakkingen, en als de rivier zich terugtrok na een overstroming kon het gebeuren dat een dorp zich opeens op de andere Maasoever bevond. Om de rivier te beteugelen, werd besloten de loop van de Maas vast te leggen. Door aanleg van zomerdijken en stenen beschoeiingen werd de rivier in een smal keurslijf van zo’n zestig meter breed gedwongen. Het idee was dat de waterstand zou stijgen zodat de rivier weer bevaarbaar werd, dat de grillige rivier werd ingetoomd, en dat in geval van overstromingen het overtollige water snel afgevoerd zou kunnen worden richting de zee. Na verloop van tijd bleken deze maatregelen echter niet effectief genoeg, of zelfs contraproductief te zijn. Door versmalling van de rivierbedding en (kleinschalige) grindwinning ontstond er juist een grotere erosie, waardoor de rivierbedding zich nog dieper insleet in de Maasvallei.

Toen begin twintigste eeuw in zowel Belgisch- als Nederlands-Limburg grote steenkoolmijnen werden gesticht, onderzochten ingenieurs uit beide landen de mogelijkheid om de Grensmaas alsnog te kanaliseren. In 1912 verscheen een rapport dat voorzag in de bouw van een groot aantal stuwen en sluizen. Maar dit plan werd nooit uitgevoerd. De Belgen wilden de rivier op sommige plekken niet dieper maken dan 2,60 meter; zo zouden grote schepen Luik alleen via de haven van Antwerpen kunnen bereiken. Dat stuitte uiteraard op tegenstand van Nederland. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staakten de onderhandelingen. Vervolgens besloot Nederland tot aanleg van een eigen kanaal, parallel aan de Maas. In 1925 stak prinses Juliana de eerste schop in de grond en in 1934 werd het Julianakanaal in gebruik genomen, inclusief de stuw in de Maas bij Borgharen die de voeding van het kanaal moest garanderen. In dezelfde periode werd in België het Albertkanaal uitgegraven.

Temidden van deze koninklijke waterwegen meanderde de Grensmaas, ietwat verloren, voort. Zij was veroordeeld tot een symbolische functie: de grens tussen beide landen. En zoals alle grenzen, is het iets waarvan de bewoners zich afwenden. In beide Limburgen richtte men het gezicht naar de mijngebieden, met de kanalen en grote verkeerswegen als levensaders. Door terugdringen van de rivier in een smal zomerbed, door daling van de grondwaterstand en door betere bemesting, konden boeren de gronden tot aan het water in gebruik nemen. Op veel plekken ontnamen mais en graan het zicht op de in het landschap verzonken rivier.

Door intensivering van de landbouw en het gebruik van kunstmest nam de biodiversiteit langs de rivier zienderogen af. Ook de Waalse industrie, die de Maas gebruikte om afvalwater en koelwater te lozen, deed de rivier geen goed. Gedurende de twintigste eeuw raakte de Grensmaas steeds verder veronachtzaamd en vervuild. Halverwege de jaren negentig noemen natuurbeschermers haar zelfs het ‘kadaver van een rivier’.


De Grensmaas is van iedereen

Het aanzien van de Grensmaas verandert de komende jaren ingrijpend. Aan Nederlandse en Belgische zijde van de rivier wordt hard gewerkt om alle doelen te bereiken: hoogwaterbescherming, natuurontwikkeling en grindwinning. De vele belangen en het grensoverschrijdende karakter maken het een ambitieus project. ‘Over vijftig jaar ziet het er hier uit zoals langs de Franse grindrivier Allier.’

‘We hebben geopperd om bij de stuw van Borgharen een partij grind in de Maas te kiepen, zodat de rivier de stenen zou verspreiden. Maar dat kon helaas geen doorgang vinden.’ Aan het woord is Hettie Meertens tijdens een wandeling in het nieuwe natuurgebied tussen Borgharen en Itteren. Namens Stichting ARK is Meertens sinds eind jaren negentig betrokken bij de natuurontwikkeling in het Maasdal. Enthousiast vertelt ze over de manier waarop de natuur bezit neemt van dit terrein. In korte tijd zijn de sporen van de graafmachines en zware vrachtwagens overdekt met een groene deken. Toch moet Meertens toegeven dat niet alles gaat zoals ze graag zou willen. In het gebied is veel meer grind gewonnen dan aanvankelijk de bedoeling was. Van een echte grindrivier is geen sprake meer – vandaar het plan om grind te storten. ‘Als ecologen kunnen wij wel dromen en inspireren’, zegt Meertens, ‘maar voor de uitvoering zijn we afhankelijk van andere partijen.’

Enkele meters hoger
In 2010 werd tussen Borgharen en Itteren een begin gemaakt met de verbreding van de Maas. Vanaf hier tot aan Maasbracht vormt de Maas over een afstand van bijna 50 kilometer de grens tussen Nederland en België. De Nederlanders spreken van de Grensmaas, de Vlamingen noemen het de Gezamenlijke Maas. Beide benamingen zijn waar, de rivier scheidt én verbindt.
Het is moeilijk voor te stellen dat nog maar kort geleden het land op deze plek enkele meters hoger lag. Of dat de Maas, die in dit nieuwe natuurgebied over een breedte van 300 meter uitwaaiert, lag ingesloten in een smalle bedding. Hoewel: aan de Vlaamse kant wordt het water nog altijd begrensd door een steil, met gras overdekt talud.
Het Grensmaasproject heeft drie doelstellingen: hoogwaterbescherming en natuurontwikkeling door middel van ondiepe grindwinning. Het Consortium Grensmaas, een samenwerkingsverband van grindproducenten, aannemers en Natuurmonumenten, heeft zich ertoe verplicht om aan Nederlandse zijde op elf locaties de stroomgeul te verbreden, oevers te verlagen, het gewonnen grind af te voeren en de overtollige klei in het landschap te bergen. Na vertrek van de machines worden de terreinen opengesteld als natuurgebied, net als tussen Itteren en Borgharen. Een belangrijke deadline is 2017, dan moet de overstromingskans langs de gehele Grensmaas zijn teruggedrongen tot eens in de 250 jaar. Maar dat is nog niet het eindpunt: het project als geheel is zeker niet voor eind 2024 afgerond.

Plan Ooievaar
De blauwdruk voor het Grensmaasproject, het rapport ‘Toekomst voor een grindrivier’, stamt al uit 1991. Een van de opstellers, landschapsarchitect Willem Overmars, was ook betrokken bij het legendarische Plan Ooievaar dat enkele jaren daarvoor verscheen. Op verzoek van de provincie Limburg onderzocht Overmars met de ecologen Wouter Helmer en Gerard Litjens de mogelijkheid om grindwinning langs de Maas te combineren met ecologisch herstel. Met de ideeën van Ooievaar in het achterhoofd – natuurontwikkeling in combinatie met rivierbeheer door het water juist meer ruimte te gunnen in plaats van het op te sluiten tussen steeds hogere dijken – richtten zij hun blik op de Maas.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de zand- en grindwinning in het Maasdal een hoge vlucht. Zonder zich te bekommeren om landschappelijke waarden, ecologische gevolgen of overlast voor omwonenden sloegen de grindproducenten enorme gaten in het landschap van Midden-Limburg. De soms wel 50 meter diepe grindgaten werden als dode putten achtergelaten en door burgers en gemeentes gebruikt om afval te dumpen. Door her en der gunsten te verlenen – de aanleg van fietspaden, de aanschaf van kostuums voor de muziekvereniging, betaalde ‘adviseurschappen’ – wisten de grindproducenten zich verzekerd van de steun van lokale en provinciale bestuurders. Maar eind jaren tachtig keerde het sentiment en klonk de roep om beëindiging van de grindwinning steeds luider.
Op overtuigende wijze beschreef ‘Toekomst voor een grindrivier’ hoe door een andere wijze van grindwinning – ondiepe afgravingen langs de oevers van de Maas in plaats van de gebruikelijke grindgaten – de rivier verbreed kon worden en het omliggende land verlaagd. Langs de oevers zou zo een uniek, aaneengesloten natuurgebied van 1.200 hectare ontstaan. Bovendien zou de kans op overstromingen significant teruglopen – geen onbelangrijk aspect: met winterse piekafvoeren van 3.000 kubieke meter per seconde is het overstromingsrisico de afgelopen decennia flink toegenomen. Een deel van de werkzaamheden, werd geopperd, kon bekostigd worden uit de opbrengsten van de grindwinning.
Zowel bestuurders als grindproducenten ontvingen het rapport van Overmars met open armen. De grindboeren maakten ondertussen haast met de aanschaf van aan de Maas gelegen percelen.

Maïs en graan
Sinds de aanleg van tal van kanalen voor de scheepvaart in de negentiende eeuw meandert de Grensmaas verloren voort. Zij heeft sindsdien slechts een symbolische functie: de grens tussen Nederland en België. En zoals alle grenzen is het iets waarvan de bewoners zich hebben afgewend. Op beide oevers was de blik jarenlang gericht op de mijngebieden, met de kanalen en grote verkeerswegen als levensaders. Door de ligging in een smal zomerbed, daling van de grondwaterstand en door betere bemesting, konden boeren de gronden tot aan het water in gebruik nemen. Op veel plekken ontnamen maïs en graan het zicht op de in het landschap verzonken rivier.
Door intensivering van de landbouw en het gebruik van kunstmest nam de biodiversiteit langs de rivier zienderogen af. Ook de Waalse industrie, die de Maas gebruikte om afval- en koelwater te lozen, deed de rivier geen goed. Gedurende de twintigste eeuw raakte de Grensmaas steeds verder verwaarloosd en vervuild. Halverwege de jaren negentig noemen natuurbeschermers haar zelfs een ‘kadaver van een rivier’.
Met enige regelmaat trad de Maas nog buiten haar oevers, maar de meeste omwonenden hadden hun leefwijze daaraan aangepast. Ze zagen af van vaste vloerbedekking, het meubilair van de benedenverdieping kon makkelijk op blokken worden gezet, deuren uit hun hengsels getild. De overlast was vaak van korte duur en zorgde voor saamhorigheid in de dorpsgemeenschappen. Slechts weinigen konden zich de laatste grote overstroming van 1926 nog herinneren. Tot de rivier in 1993 wederom wild om zich heen greep.
In de laatste weken van dat jaar regende het onophoudelijk in Noord-Frankrijk en België. De rotsachtige bodem in de hooggelegen Ardennen kon het water niet meer opnemen en het peil in de Maas steeg tot recordhoogte. Op 20 december kolkte het water over de boorden van de rivier, over de akkers richting Borgharen en Itteren. In sommige huizen stond het water anderhalve meter hoog. Ook stroomafwaarts nam de Maas land in bezit: in totaal 18.000 hectare stond blank, 8.000 mensen werden geëvacueerd.
Er vielen gelukkig geen slachtoffers, maar de materiële schade bedroeg zo’n 250 miljoen gulden. Het overtuigde zelfs de meest geharde critici van de noodzaak haast te maken met aanpassing van de Maas. Dit werd nog eens bevestigd toen de rivier in januari 1995 opnieuw buiten haar oevers trad.
In 1994 werd de Commissie Watersnood Maas ingesteld die de plannen uit ‘Toekomst voor een grindrivier’ onverkort overnam. Daarnaast adviseerde zij om op drie locaties waar het niet mogelijk bleek de rivier aan Nederlandse zijde te verbreden maatregelen te nemen aan de Vlaamse oever. De werkzaamheden op deze drie plaatsen – Hochter Bampd, Herbricht en Kotem – worden voor driekwart door Nederland betaald.

Halverwege de jaren negentig
noemden natuurbeschermers de Maas
een ‘kadaver van een rivier’

Verzakking van het achterland
Dat bleek een perfecte aanleiding voor internationale samenwerking en in 1994 ondertekenden het Vlaamse Gewest, de Nederlandse ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de beide provincies Limburg een intentieverklaring voor een gezamenlijk kader voor inrichting van de Grensmaasvallei. Toch vallen vooral de verschillen op waarmee beide landen de Grensmaas benaderen.
Aan de Belgische zijde overheerste in eerste instantie een traditionele aanpak van de hoogwaterproblematiek. Daar gold toen nog het Maasdijkenplan dat voorzag in versteviging, verbreding, ophoging en verlegging van de winterdijken. Deze keuze werd onder meer ingegeven door de flinke verzakking van het achterland door vroegere mijnbouwactiviteiten.
Maar rond de eeuwwisseling veranderen de opvattingen bij nv De Scheepvaart, de verantwoordelijke overheidsdienst voor de waterwegen in Belgisch-Limburg. Het idee om het water zo vlug mogelijk af te voeren werd verlaten. Men wilde voortaan overtollig water vasthouden, bergen en de ruimte geven, zodat het een natuurlijk verloop zou kunnen vinden. In die zin naderde het Vlaamse denken de Nederlandse zienswijze, maar daadwerkelijke harmonisatie van regelgeving of een eenvormige uitvoering van waterbescherming bleef uit.
Grootste verschil tussen beide landen: Nederland houdt vast aan de lastige wens om een aaneengesloten natuurgebied te creëren, Vlaanderen richt her en der plukjes natuurgebied in. Die tegenstelling in aanpak – die uitpakt als stroperig versus kordaat – blijkt ook uit het relaas van Koen Maeghe, manager waterwegbeheer bij nv De Scheepvaart. Tegen dagblad De Limburger zegt hij: ‘Wij werken veel minder met langlopende en allesomvattende plannen. Wij delen het werk op in kleinere projecten met globale kaders. Als er dan lokaal iets hapert, kunnen we op andere onderdelen gewoon door. Zo blijft de vaart erin.’ Guy Vanvoorden, een uit België afkomstige projectcoördinator van Rijkswaterstaat stelt in Cobouw: ‘In Vlaanderen lijkt alles wat soepeler en makkelijker te gaan. In Nederland bestaan meerdere bevoegde instanties die allemaal aparte vergunningen moeten afgeven. In Vlaanderen is er één centrale vergunning, dat werkt een stuk makkelijker.’ Een ander verschil is dat in Nederland gewerkt wordt met design and construct. Vanvoorden: ‘In België gaat het nog op de traditionele wijze: hier heb je het bestek, zorg dat je het zo maakt.’
Naarmate het Grensmaasproject vordert, lopen de internationale verhoudingen averij op. De Nederlandse plannenmakers hebben lange tijd verzuimd formele afspraken te maken met hun Vlaamse collega’s. Deze opstelling wekt wrevel: rond 2004 dreigt Vlaanderen de samenwerking op te zeggen. Als reden voeren zij aan dat enkele Vlaamse natuurgebieden dreigen te verdrogen doordat door de Nederlandse maatregelen het grondwaterpeil daalt. Het vergt de oprichting van de Vlaams-Nederlandse Bilaterale Maascommissie (VNBM) om de plooien weer glad te strijken. Dat het niet uitgroeit tot een affaire van Hedwigepolder-achtige proporties komt vooral doordat het Grensmaasproject nooit tot speelbal van politici is geworden.

Onderhandelingspositie
Vanaf de jaren negentig passeren diverse plannen voor het Grensmaasgebied de revue, onder verantwoordelijkheid van diverse instanties. Maar het proces verzandt. Bestuurders eisen dat het project budgetneutraal wordt uitgevoerd – dat wil zeggen volledig gefinancierd uit de grindopbrengsten. Dit versterkt de onderhandelingspositie van de grindwinners. Na lang soebatten komt men uit op een maximale hoeveelheid van 53 miljoen ton te winnen grind, in plaats van de oorspronkelijke 35 miljoen ton. Als grondbezitters spelen de grindbedrijven sowieso een grote rol. Aangezien zij in staat én bereid zijn om de plannen zelf uit te voeren, is gekozen voor een constructie van ‘zelfrealisatie’: het Consortium Grensmaas voert uit, de overheid ziet toe.
In de eerste jaren heerst een goed besef om de integraliteit – het project draait immers om de samenhang tussen hoogwaterbescherming, ecologie en grindwinning – te bewaken. Maar gaandeweg raakt de samenhang uit beeld – binnen het consortium lijken de grindbelangen zwaarder te wegen. De grindwinning wordt opgevoerd en op verschillende locaties zijn droge grindbanken opgeofferd en de oevers veel lager uitgevoerd, met als gevolg dat gebieden in natte, ontoegankelijke vlaktes veranderen. ‘Er bestaat een discrepantie tussen wat momenteel op een aantal locaties wordt aangelegd en het eindbeeld dat jarenlang naar de regio en bewoners is gecommuniceerd’, staat in het evaluatierapport ‘Terug naar de Grensmaas’ dat in 2011 op verzoek van het ministerie van Economische Zaken wordt opgesteld.
Dat eindbeeld vindt zijn oorsprong in ‘Toekomst voor een grindrivier’. Willem Overmars stelde daarin al dat het lang duurt voordat het eindstadium bereikt wordt. ‘Binnen tien jaar zal een aantrekkelijk natuurlandschap ontstaan met opschietende wilgenbosjes, nieuwe stroomgeulen en struwelen en na vijftig jaar kunnen we al een landschap verwachten zoals we dat nu langs de Franse grindrivier Allier aantreffen.’

‘Het voelde alsof het gebied
ons ontnomen was.'

Misser van jewelste
De vraag is of de opstellers van dit rapport zich er rekenschap van hebben gegeven dat deze termijn (die voor ecologen misschien gangbaar is) voor de omwonenden – de belangrijkste gebruikers – een eeuwigheid lijkt. ‘Ons zijn jarenlang mooie plannen voorgespiegeld’, verklaart Paul Paulissen in een telefoongesprek, ‘maar de werkelijkheid voldeed absoluut niet aan de verwachtingen. Toen besloten we het heft in eigen handen te nemen.’ Namens de Dorpsraad Itteren heeft Paulissen zitting in de Klankbordgroep die het Consortium Grensmaas heeft ingesteld. Onder zijn aanvoering kwam er een recreatievisie voor het nieuwe natuurgebied, inclusief inrichtingsplan. ‘We constateerden dat er weinig afstemming was tussen de verschillende plannen voor dit gebied; de samenhang ontbrak. Dat vonden wij een misser van jewelste. Het consortium heeft zich alleen gericht op het terrein aan de Maas, terwijl er ook andere groengebieden in en om het dorp liggen. Wij hebben het gebied in z’n totaliteit in ogenschouw genomen.’
In de plannen voor het Grensmaasgebied speelt ruimtelijke kwaliteit geen rol. Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (2005) is duidelijk: de toekomstige natuurgebieden en de dekgrondbergingen behoeven geen inrichtingsplan. De menselijke bemoeienis dient tot een minimum te worden beperkt, aldus de beleidsmakers in Maastricht: ‘Allerlei begeleidende en sturende zaken in het terrein zoals paden, uitgezette routes, bebordingen en andere recreatieve voorzieningen (picknicksets, parkeerplaatsen, vuilnisbakken) worden achterwege gelaten. Toegankelijkheid ontstaat door begrazing en door rivierdynamiek. Indien gewenst bepalen mensen zelf hun weg door het terrein. Het ongeleid betreden van de gebieden is voor veel bezoekers in eerste instantie een wat onwennige ervaring maar geeft vervolgens juist grote meerwaarde aan de beleving van het terrein.’ Tot zover de papieren werkelijkheid, opgeschreven tien jaar voordat de eerste locatie daadwerkelijk werd opgeleverd.
‘In de praktijk bleek het gebied veel te drassig’, aldus Paul Paulissen. ‘Als er geen paden zijn ga je er niet doorheen lopen. Wij vonden dat moeilijk te verkroppen, daarom hebben we ons best gedaan de plannen aan te passen. Bij aanvang van de werkzaamheden voelde het toch alsof dat gebied ons ontnomen was. Het was weliswaar in gebruik als landbouwgrond, maar je kon er ook uitstekend wandelen.’ Van het consortium kregen de buurtbewoners een dragline met machinist ter beschikking. ‘We hebben verschillende wandelpaden aangelegd, sommige verhoogd zodat ze ook in natte perioden begaanbaar zijn. Die paden zijn deels gebaseerd op historische routes en ze sluiten aan op de andere wegen in en om het dorp.’

1.000 hectare nieuwe natuur
Inmiddels zijn twee locaties opgeleverd – nog negen te gaan. Als er al een voorlopige conclusie is, dan is het deze: er is niet één Grensmaasproject. Er zijn heel veel verschillende Grensmaasprojecten. Dat van de grindproducenten, dat van de ecologen, dat van de politici, dat van de omwonenden, van de Vlaamse buren. Plannen die onder dezelfde naam worden gepresenteerd, maar die in de loop der jaren onder druk van veranderende economische en politieke prioriteiten zijn aangepast. De belangen zijn zó groot, dat elke partij het als een succes presenteert.
Het Consortium Grensmaas kan straks zeggen: we hebben voldaan aan onze verplichting om voor 2017 de afgesproken hoogwaterbescherming te realiseren, we hebben nieuwe natuur aangelegd, we hebben op een innovatieve manier grind gewonnen, we hebben een positieve bijdrage geleverd aan de lokale en nationale economie en de veiligheid. De ecologen kunnen zeggen: we staan aan de basis van bijna 1.000 hectare nieuwe natuur. De politiek kan zeggen: we hebben dit razend ingewikkelde project beheerst. Wij hebben het grootste publiek-private project budgetneutraal weten te realiseren. Vlaanderen kan zeggen: we hebben ons eigen Maasdijkenplan uitgevoerd, we hebben een grensoverschrijdend rivierpark gerealiseerd en we hebben onze natuurgebieden beschermd tegen de verdroging. En de burgers van Borgharen en Itteren kunnen zeggen: we hebben ons kranig geroerd, we hebben zelf invulling gegeven aan dit gebied.
Het is allemaal waar. En ergens, in het midden van die rivier, raken al die waarheden elkaar vluchtig aan.

Gepubliceerd in Blauwe Kamer, tijdschrift voor landschapsarchitectuur en stedenbouw, maart 2016 #1. Tekst: Raymond Frenken, foto’s: Daniel Nicolas. Dit artikel kwam tot stand dankzij een bijdrage van de Vlaams-Nederlandse Journalistenbeurs.