Notes

Die Reizbarkeit der Pflanzen

In 1893 gaf de Duitse botanicus Wilhelm Pfeffer een lezing over de Reizbarkeit, de ‘prikkelbaarheid’ van planten. Hij sloot af met de volgende woorden over de zoektocht naar nieuwe kennis:

«Similar to all natural sciences, the research aimed at unlocking the riddles of the workings of life offers an inexhaustible field of activity. If the researcher brilliantly succeeds in bringing light to a previously dark area of science, he will find that in looking out from this newly secured beach his eye is directed to other unknown regions which call on him to embark on a new venture into undiscovered seas. Then, while he battles often hostile elements, he finds that he has to keep adjusting his course towards foreseen and unforeseen goals. Should firm ground be reached again – often in a round-about way – it is just as certain that knowledge will have advances only a little, even though it may be a significant amount within the boundless expanse of seas of sciences.»

Translated by Helmut William Pfeffer, cit. in: Erwin Bünning, Ahead of his Time: Wilhelm Pfeffer. Early Advances in Plant Biology, Carleton University Press, 1989, p. 139

«Wie alle Naturwissenschaft, gewähren natürlich ein unerschöpfliches Gebiet diejenigen Forschungen, deren Streben darin zielt, die Räthsel der Lebensthätigkeit mehr und mehr zu entschleiern. Und wenn es in noch so glänzendem Siegeslaufe einmal gelingt, die Leuchte der Wissenschaft in bis dahin dunkle Sphähren zu tragen, so wird doch von dem eben erhellten Boden, von dem sich sicheren Gestade aus, der Blick des sich orientirenden Forschers sogleich wieder auf unbekannte Regionen gelenkt, die ihn auffordern, von Neuem den Weg in die Wogen des noch unerforschten Oceans zu lenken und im Kampfe mit gar oft widerstrebenden Elementen den Curs nach geahnten und nicht geahnten Zielen zu richten. Wird dann aber - voraussichtlich auf weitem Umwege - von Neuem ein festes Gestade erreicht, so ist doch ebenfalls gewiss, dass unsere Erkenntniss wiederum nur um eine kleine, wenn auch bedeutungsvolle Strecke weiter vordrang in dem unerschöpflichen, unendlichen Meere der Wissenschaft.»

Wilhelm Pfeffer, 'Die Reizbarkeit der Pflanzen', in: Naturwissenschaftliche Rundschau, Braunschweig, Verlag von Friedr. Vieweg und Sohn, VIII Jahrgang, 21. October 1893, no. 42, pp. 533-537 / 28. October 1893, no. 43, pp. 545-549


Gestundete Zeit

«Het arcadische landschap [...] vertelt van een eeuwenoude interactie tussen mens en natuur. De mens greep in in de natuur, vormde haar om en maakte haar tot op zekere hoogte dienstbaar. Deze samenwerking tussen mens en natuur resulteerde in een omgeving met een zekere ordening. De landschapselementen, zoals muurtjes, hagen, heggen, houtwallen, akkers, weilanden, en ook de resten natuur die overgebleven zijn, vertonen een bepaalde oriëntatie en samenhang. Het landschap heeft richting. Steeds weet men waar men vandaan komt en waar men naartoe gaat. In dit landschap verdwaalt men niet zo gemakkelijk.

In dit landschap is de wordingsgeschiedenis zichtbaar uitgekristalliseerd. De landschapselementen en de ruimtelijke patronen die ze vormen, vertegenwoordigen de letters en de zinnen van een verhaal. Het arcadische landschap vertelt zo zijn eigen verleden en wel in termen van de menselijke tijd: in jaren, decennia, eeuwen, millennia. In een gelede tijd, of zoals de Duitse dichteres Ingeborg Bachmann dat ooit uitdrukte, in een 'gestundete Zeit'.1

Door deze in het landschap zichtbaar geworden 'gestundete Zeit' krijgt de landschapservaring in het hier en nu onmiddellijk een tijdsdimensie. Het ‘zichtbare nu’ draagt de vervlogen uren in zich. In dit landschap van de gelede tijd kan men zich dan ook steeds in de tijd oriënteren. Arcadië biedt daarom niet alleen oriëntatie in de ruimte maar ook oriëntatie in de tijd: men ervaart in de beschouwing ervan zijn eigen voorgeschiedenis.»

Matthijs Schouten, Le Roy-lezing, TIJD-symposium, 31 oktober 2013


Locus amoenus

«[In de Roman de la Rose (1230) is de tuin] prominent aanwezig als een imaginaire plek waarop de hele erotische beschaving van die tijd wordt geprojecteerd. Daarmee echoot de hortus conclusus op bijzonder aansprekende wijze de locus van Arcadia, waarin de liefdestaferelen van de klassieke literatuur zich afspeelden. Deze aangename plek, ook wel locus amoenus genoemd, ontleent haar sjabloon aan de dichters Vergilius en Horatius. Bij hen wordt met groot literair raffinement de aangename verpozing omgetoverd tot een allegorisch concentraat, dat sterke utopische trekken vertoont. In Ovidius' Metamorfosen wordt deze topos echter voorzien van een bruuske omkering: alles wat lieflijk is kan in één klap vreselijk worden, van vorm en substantie veranderen. De zekerheid van de wereld wankelt in de Metamorfosen. Juist in de arcadische restanten van de oude mythen schuilt blijkbaar reeds het hele existentiële dilemma. Wat bij Vergilius als arcadische en herderlijke veiligheid verschijnt, wordt in de vertellingen over de metamorfosen een ambivalente, door de aloude Griekse tragiek getekende duistere plek waarin hemel en heerlijkheid in een oogwenk kunnen veranderen in schrijnende tragiek. Het aards paradijs wordt bij Ovidius, net als in de christelijke metaforiek, meteen verduisterd door het eigen diabolisch tegendeel.

[…] De locus amoenus blijkt vaak dit soort tussen-plek te zijn, een plek van overgang van het ene stadium naar het andere. Dat verklaart ook de grote populariteit van wat men in de laatmiddeleeuwse en vroege renaissancistische literatuur kende als de zogenaamde Natureingang. Nagenoeg elk tafereel begon met het beschrijven van het landschap, het seizoen, ja zelfs de weersomstandigheden waarin het verhaalde zich moest gaan afspelen. Meestal ging het om de pas ontluikende natuur, die het beginnende boek weerspiegelde: alles is vervuld van verwachting.

De Duitse exegeet Ernst Robert Curtius heeft in zijn beroemde standaardwerk Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter de locus amoenus als technische term opnieuw gelanceerd en voorzien van een lijst van kenmerken. 'Sein Minimum an Ausstattung,' zegt Curtius, 'besteht aus einem Baum (oder mehreren Baümen), einer Wiese und einem Quell oder Bach. Hinzutreten können Vogelgesang und Blumen. Die reichste Ausführung fügt noch Windhauch hinzu' (p. 202). Kortom, het landschapje waarin ironisch genoeg Orpheus zijn Eurydice verliest. Het blijft overigens prangend om te beseffen dat Curtius' mijmering over het arcadische landschap tijdens de oorlogsjaren werd geschreven en in een door bombardementen stukgeschroeid Duitsland verscheen in 1948. De locus amoenus, Lustort van wat ooit de humanistische literatuur was geweest, bleek een verloren Arcadia geworden dat om melancholische exegese vroeg. Curtius wijst op de grote vloed aan middeleeuws-Latijnse teksten waarin de locus amoenus, te midden van pest en oorlogen, steevast bloeide als nooit tevoren.

[…] bij Hölderlin raakt het Duitse landschap bedolven onder de Grieks-tragische reminiscenties, waardoor het een landschap wordt waarin de mens eigenlijk altijd te laat komt, te laat voor de antieke goden die het landschap vorm hebben gegeven. Overal wordt de imaginaire plek bestookt door haar groeiende exterioriteit. De locus amoenus wordt de plek waar men beseft een uitgeslotene te zijn.»

Stefan Hertmans, 'Locus amoenus. Over een mooi maar bedreigd plekje', in: De mobilisatie van Arcadia, De Bezige Bij, 2011


Axioms for Reading the Landscape

«Our human landscape is our unwitting autobiography, reflecting our tastes, our values, our aspirations, and even our fears, in tangible, visible form. We rarely think of landscape that way, and so the cultural record we have "written" in the landscape is liable to be more truthful than most autobiographies because we are less self-conscious about how we describe ourselves. Grady Clay has said it well: "There are no secrets in the landscape." All our cultural warts and blemishes are there, and our glories too; but above all, our ordinary day-to-day qualities are exhibited for anybody who wants to find them and knows how to look for them.

To be sure, reading landscapes is not as easy as reading books, and for two reasons. First, ordinary landscape seems messy and disorganized, like a book with pages missing, torn, and smudged; a book whose copy has been edited and re-edited by people with illegible handwriting. Like books, landscapes can be read, but unlike books, they were not meant to be read.

In the second place, most [people] are unaccustomed to reading landscape. It has never occurred to them that it can be done, that there is reason to do so, much less that there is pleasure to be gained from it. […] So unless one is lucky enough to have studied with a plant ecologist like Dansereau, a geomorphologist like Mackin, a folklorist like Glassie, or simply a Renaissance man like Jackson, one is likely to need guidance. To "read landscape," to make cultural sense of the ordinary things that constitute the workaday world of things we see, most of us need help.»

Peirce F. Lewis, 'Axioms for Reading the Landscape. Some Guides to the American Scene', in: D.W. Meinig (ed.), The Interpretation of Ordinary Landscapes. Geographical Essays, Oxford University Press, 1979


The Changing Meaning of Landscape

«… we must acknowledge not only that landscapes do not stand apart from human activity but that every landscape is a human artifact. Whether framed by a camera, cultivated as farmland, conserved as a nature reserve, or preserved as so-called wilderness, every landscape is identified and chosen by humans, and embodies and displays the effects of human action. [...]
Once we understand how the human presence imports values into the landscape, environment becomes rich with normative significance, for environment is suffused with a full range of values in relation to human activities.»

Arnold Berleant, 'The Changing Meaning of Landscape', Aesthetics beyond the Arts: New and Recent Essays, 2012

«For many years I had sought and written about the wildness encountered in the more expected places: the rarefied national park, the desolate moor, the distant mountaintop, the sweeping coast, but I’d forgotten that there is something deeper about the blurry space surrounding us all where human and nature meet. One word stayed with me: layers. Even before I’d started the process of investigating it in any depth I was aware that this edge-land was a crossing point where countless histories lay buried. There were its human narratives, the records of our long tangling with land – colonisation, hunting, farming, war, industry and urbanisation – but these were only part of the story. Enmeshed in every urban edge is also the continuous narrative of the subsistence of nature, pragmatic and prosaic, the million things that survive and even thrive in the fringes. This little patch of common ground was precisely that: common. And all the richer for it.»

Rob Cowen, 'Prologue', Common Ground, 2015


  1. Ingeborg Bachmann, Die gestundete Zeit, in: Anrufung des grossen Bären, R. Piper Verlag, 1956