Stad in het schemerduister

Marjoleine Boonstra, De stad en het verlangen, 2007, HUMAN, 68 min.

In zijn door de orkaan Katrina gehavende huis zit de bejaarde oud-timmerman Herbert Gettridge op de rand van z’n bed. Hij draait aan de knop van een transistorradio. Flarden van een actualiteitenprogramma waarin gepraat wordt over het Midden-Oosten. Als een stem zegt: ‘President Bush has…’, draait Gettridge snel aan de knop waarna je een oud jazznummer hoort.

In haar film De stad en het verlangen schetst Marjoleine Boonstra een beeld van New Orleans, enkele maanden na de orkaan Katrina. In tegenstelling tot doorsnee journalistieke reportages en documentaires doet ze dit niet door de nadruk te leggen op de materiële gevolgen of inwoners aan het woord te laten over de verschrikkingen tijdens en na de natuurramp. Hierdoor wordt extra duidelijk hoe makkelijk en clichématig de keuzes zijn die nieuws- en actualiteitenprogramma’s gewoonlijk maken voor spectaculaire beelden en emo-pornografie. Evenmin vervalt ze in een te opzichtige vorm van engagement. Ze vraagt de inwoners niet naar hun mening over de machthebbers of over de ernstig tekortschietende noodhulp na de orkaan. Het moment waarop de bejaarde Gettridge overschakelt naar een ander radiostation is het enige dat – onbedoeld ironisch – verwijst naar de politieke actualiteit.

Boonstra bewandelt een veel minder voor de hand liggende weg. In gesprekken met inwoners stelt ze ogenschijnlijk simpele vragen over hun dromen, hun verlangens en angsten. Met een verrassende openheid wordt daar antwoord op gegeven. Een man die als één van de weinigen is teruggekeerd naar z’n oude buurt vertelt in het begin van de film over z’n liefde voor zijn overleden moeder. Even later wordt hij door z’n zus ontmaskerd als een leugenachtige drugsverslaafde crackdealer. Als zij weer weg is, verzucht hij: “Het klopt wat ze over me zegt. Maar alles wat ik je zei voor ze kwam, komt uit m’n hart.”

Net als in eerder werk, beperkt Boonstra zich in deze film niet tot puur documentair filmmateriaal. De belangrijkste stijlingreep is, dat de portretten worden omkleed met citaten van William Faulkner. In 1925 verbleef hij enkele maanden in New Orleans en schreef hij een aantal korte verhalen met de stad als achtergrond. Ook schreef hij elf heel korte schetsen, niet langer dan een paar honderd woorden, die onder de titel New Orleans verschenen in het literaire blad The Double Dealer. Boonstra gebruikt enkele van deze schetsen om de portretten aaneen te rijgen. De teksten en de beelden gaan een bijna gelijkwaardige relatie met elkaar aan: het één is geen illustratie of verduidelijking van het ander. Eerder is het zo dat er onverwachte verbintenissen optreden. De woorden die Faulkner in 1925 schreef zijn doordesemd met eenzelfde gevoel van teloorgang en vergankelijkheid als de in 2006 gemaakte beelden. Boonstra opent en sluit de film met een citaat waarin Faulkner de stad zelfs vergelijkt met een courtisane wiens schoonheid langzaam verwelkt en die het zonlicht mijdt opdat de illusie van haar vroegere glorie behouden blijft.

Ook met andere middelen worden de fragmenten aaneengesmeed. Op de achtergrond, met muziek van componist Harold Battiste Jr., die zelf ook aan het woord komt. Beeldend, door nachtelijke straatopnames die cameraman Erik van Empel schoot vanuit een traag rijdende auto, die als een boot door de straten lijkt te dobberen. Ook de meeste interviews vinden plaats in het schemerduister, waardoor de hele film ondergedompeld is in een zachtblauw omfloerst waas. Ook hier vermijdt Boonstra al te scherpe zwart-witte tegenstellingen en verkiest ze de nuance.

De film is geen egodocument, waarin de verhouding van de kunstenaar tot zijn omgeving centraal staat. Boonstra doet zich niet voor als autoriteit, als gids die laat zien hoe het wérkelijk is in New Orleans. De filmmaakster is onnadrukkelijk aanwezig en treedt op als relatieve buitenstaander die met haar ogenschijnlijk simpele, in steenkolenengels gestelde, vragen het gesprek op gang brengt. Ook daarin spaart ze zichzelf niet. De wat naïeve vraag aan een bejaarde man zonder benen, wat hij het liefst zou wensen (‘mijn benen terug, natuurlijk’) heeft de montage overleefd.

Boonstra stelt geen journalistieke vragen, richt zich niet op de ‘harde’ stad van stenen en statistieken. In plaats daarvan ruimt ze in haar film plek in voor de ‘zachte’ stad die bestaat uit de dromen en nachtmerries van haar inwoners. Juist daardoor roept Boonstra een sterk gelaagd en indringend beeld op van New Orleans dat de actualiteit overstijgt. Hoewel het onderwerp natuurlijk bijzonder tijd- en plaatsgebonden is, zijn de thema’s die worden aangesneden universeel: ontreddering, verlangen naar geborgenheid, dromen van de toekomst tegen het besef van vergankelijkheid in. Wat houdt je op de been?

De personages die Boonstra portretteert, bevinden zich in een figuurlijk schemergebied. Tussen hoop en wanhoop, tussen lachen en huilen, tussen verleden en toekomst, niet verslagen, maar ook niet vechtlustig. Gelaten. Het zijn kleine scharrelaars die weinig materiële (of immateriële) middelen hebben om op de brokstukken van hun verleden te bouwen aan een toekomst. Ze lijken op hun huizen: beschadigd maar niet totaal verwoest. Naast de opengebroken voordeur een merkteken, achtergelaten na een laatste check op overlevenden.

De bejaarde Herbert Gettridge keerde als enige terug in zijn straat, om het door hemzelf gebouwde huis op te knappen. “Mijn vrouw komt terug zodra ik de boel weer op orde heb. Zodra ze er weer in kan, komt ze terug. Maar nu niet, met al die rotzooi voor de deur.” Al is zijn huis behoorlijk gehavend, het staat nog overeind. Het huis van de buren ligt volledig in puin. In het verleden heeft hij genoeg verschrikkingen gezien om ook nu weer de moed te vinden door te gaan: “I just keep on stepping, that’s the way we say it.”


In: Tubelight #50, april 2007