Spoorzoeken in de woonwijk

De verborgen erfenis van het Derde Rijk

Erik van der Weijde, Untitled, 2008

Wat bezielt iemand om 240 woningen te fotograferen, waar ogenschijnlijk niets speciaals mee aan de hand is? Elk huis is van de straatzijde gefotografeerd, zodanig dat het hele huis keurig op het plaatje staat. Het zijn standaardtype woningen. Dertien in een dozijn of ‘catalogusbouw’, zoals dat nu genoemd wordt. Huizen zoals een kind ze tekent. Vrijstaande woningen van twee verdiepingen met een zolder, onder een zadeldak met één of twee schoorstenen erop, een tuintje voor, een tuintje achter en een hekje of muurtje eromheen.

In de bibliotheek van Foam hangt een kleine selectie van deze verzameling foto’s, die Erik van der Weijde (1977) dit voorjaar in Duitsland maakte. Daar bezocht hij zestien ‘Siedlungen’ die tussen 1933 en 1945 gebouwd werden, onder het Derde Rijk. Enkele van deze nederzettingen dragen namen die verwijzen naar deze tijd, als ‘Frontkämpfersiedlung’ of ‘Messerschmittsiedlung’. In de meeste gevallen is minder evident dat ze onder oorlogstijd zijn gebouwd, zoals de ‘Neubauernsiedlung’ of ‘Waldsiedlung’. Ook aan de woningen is niet af te lezen dat ze door het nazibewind zijn gebouwd om de leden van de NSDAP goede huisvesting te bieden. Ze hebben niets van de megalomane ontwerpen van nazi-opperarchitect Albert Speer, ook zijn ze niet in Germaansromantiserende Schwarzwaldstijl gebouwd. Het zijn keurige eengezinswoningen, die de burgerlijke middenklasse omhullen als een comfortabele jas.

De huizen waren destijds gewild en zijn dat nu nog steeds. Zegt dat iets over de bewoners van nu? Zegt dat iets over de woningen zelf? Of zegt dat meer iets over de banaliteit van het kwaad, over de geworteldheid van het nationaal-socialistische bewind in die middenklasse? De SS’ers die gehuisvest werden in Waldsiedlung Sehlendorf waren waarschijnlijk dolblij met hun vrijstaande huis met een tuintje. Deze woningen zijn het product van het nazisme dat ook aan de wieg stond van de Volkswagen. Degelijk en in grote oplage industrieel te produceren.

De foto’s in Foam zijn van klein formaat, maar haarscherp, waardoor zelfs teksten op naambordjes naast de voordeuren te lezen zijn. Bovendien hangt er over de beelden een fluwelig floers zodat ze niet langer puur zwart-wit zijn, maar eerder in diepdonkerbruine aardetinten, zodat lijkt alsof ze bij sterk bewolkte hemel of in vallende schemering genomen zijn. In het boek Siedlung, met alle 240 woningen, zijn de foto’s helaas van mindere afdrukkwaliteit. De buitenkant van het boek is vormgegeven als een degelijk, burgerlijk boek uit de jaren veertig of vijftig, met een beige, geweven linnen kaft met daarop in gotische letters de titel Siedlung gedrukt. Zeker geen glossy salontafelboek; het onderwerp is er dan ook niet naar.

Bij de tentoonstelling en in het boek wordt slechts mondjesmaat informatie gegeven. Geen uitgebreid essay over dit nieuwbouwbeleid van nazi-Duitsland, geen korte geschiedenis van elke afzonderlijke Siedlung. Dat is niet erg, want dat zou de foto’s slechts tot illustraties maken bij een groter verhaal. Nu wordt de toeschouwer de ruimte geboden zelf zijn gedachten te formuleren. In het boek gebeurt dat letterlijk. Binnenin beslaat elke foto slechts de bovenste helft van de pagina, de rest is leeg. Alsof er ruimte is vrijgehouden om je eigen onderzoeksnotities neer te pennen over de huidige bewoners, over de verkoopprijzen, de staat van het onderhoud.

Toch is het misschien wat té makkelijk om op de witgepleisterde muren van deze keurige burgermanshuizen het gezicht van het kwaad te projecteren. Van der Weijde doet dat niet, althans niet expliciet. Maar met de verzameling foto’s wordt impliciet, ten onrechte, gesuggereerd dat de Siedlungpolitik typisch was voor het nazisme. Al sinds het eind van de negentiende eeuw bouwden industriëlen speciale woonwijken voor hun werknemers, om hen zo aan zich te binden. Nederlandse voorbeelden zijn Philipsdorp in Eindhoven (vanaf 1910) of Batadorp in Best (1934). Door te investeren in goede leef- en woonomstandigheden met huizen, scholen, winkels en sportverenigingen werd tevens de macht van de vakbonden de kop ingedrukt. Van daar loopt een rechte lijn naar deze Siedlungen, maar ook naar de boerderijen die in de Noordoostpolder werden gebouwd voor gezonde Friese boeren die Nederland er weer bovenop zouden helpen, of zelfs naar de huidige stadsvernieuwingsprojecten waarbij naoorlogse woonwijken worden gesloopt om plaats te maken voor een meer divers woningaanbod en dito bevolking. Georganiseerde woningbouw en bevolkingspolitiek zijn niet los van elkaar te zien.

Op zijn eigen manier is deze verzameling van Van der Weijde een klein monument voor de verborgen erfenis van het Derde Rijk. Inhoudelijk sluit het hiermee aan bij het werk van andere jonge fotografen als de Hongaar Gábor Ösz, die foto’s maakte van het nazi-vakantieoord Prora op het eiland Rügen, of de Italiaanse Rossella Biscotti, die zich richt op de overblijfselen van fascistische architectuur. Het zijn allen onderzoekers, die in de architectuur of in het landschap sporen zoeken van een beladen verleden. Betekent dit dat we nog vijftig jaar moeten wachten op fotografen die op een zelfde nauwgezette manier de Nederlandse woonerven uit de jaren zeventig en tachtig, de Vinexwijken en groeisteden uit de jaren negentig, of de woonwijken met historiserende boerderettes zullen documenteren?

– Expositie: Erik van der Weijde, SIEDLUNG, t/m 10 december 2008, Foam_Fotografiemuseum Amsterdam, Keizersgracht 609, Amsterdam
– Boek: Erik van der Weijde, SIEDLUNG, Roma Publications, Amsterdam, ISBN 978-90-77459-32-4, 256 pagina’s, €24,99


Published in: Tubelight #59, November 2008