Gedeelde verantwoordelijkheid

Festival Cement geeft veel ruimte aan theater- en dansmakers die een beroep doen op een actieve kijkhouding, en zelf zoeken naar nieuwe vormen om hun publiek aan te spreken. Op verzoek van het festival beschreef ik hoe dit tot uiting komt in het werk van een aantal makers. Onderstaand een fragment.

‘DIT IS GEEN ANDERE WERELD DAN DE UWE,’ liet theatervernieuwer Peter Handke in de jaren zestig aan zijn publiek weten. ‘U bent geen buitenstaander meer,’ riepen zijn spelers naar de verbouwereerde bezoekers die in het volle zaallicht waren gezet. ‘U bent het onderwerp. U staat in het middelpunt.’ Zijn geruchtmakende voorstelling Publikumsbeschimpfung (1966) was een aanklacht tegen het theater als gesloten universum, ingekapseld door burgerlijke conventies. In plaats daarvan stelde hij een theater dat echt deel zou uitmaken van de wereld van de toeschouwer. ‘U maakt het spel,’ kregen de toeschouwers te horen. ‘U bent onze tegenspelers. We hebben het op u gemunt.’

Het is een opgave die nog steeds relevant is: als het theater betekenisvol wil zijn, moet het midden in de wereld staan. Elke generatie theatermakers moet opnieuw bepalen hoe je daar vorm aan geeft en hoe je je publiek daarbij betrekt. Dat laatste is iets anders dan het zorgen voor gevulde zalen. Het gaat om de essentie van het theater – waarin het zich onderscheidt van de dagelijkse werkelijkheid of het digitale aanbod: spelers en publiek zijn voor de duur van de voorstelling tot elkaar veroordeeld. We delen dezelfde ruimte, we kijken elkaar in de ogen, we delen dezelfde, unieke ervaring. En spelers en publiek dragen beide hun verantwoordelijkheid daarvoor. Een actieve en open kijkhouding van de toeschouwer is een vereiste, net als de bereidheid van de kunstenaars om hun publiek daartoe te verleiden.

1.____In de architectonische en theatrale installatie SPEEL – KHOR II van Gert-Jan Stam en Breg Horemans (TAAT) wordt de toeschouwer zelf tot speler, met een script en een handvol spelregels als houvast.

2.____In EXHIBIT laat Suze Milius het publiek eerst door een expositie dwalen, om vervolgens de manier waarop kunst en theater aan ons getoond worden en de manier waarop wij naar onze omgeving kijken, tot onderwerp te maken.

3.____Tegenover de steriele communicatie via social media plaatst Katja Heitmann fysieke ontmoetingen in de openbare ruimte. De spontane reacties van een onvoorbereid publiek vloeien daarbij samen met haar gestileerde theatrale performances.

4.____Voor hun voorstelling INSLAG, waarin verbeeld wordt hoe je jezelf kunt verliezen ten gevolge van een hersenbloeding, gingen Nina Willems en Marijke de Kerf te rade bij een grote groep (ervarings)deskundigen. Verschillende aspecten van dit complexe onderwerp komen ook aan bod in het publieke gesprek, dat het tweede deel van de voorstelling vormt. Het is een van de vele gelegenheden waarbij kunstenaars en publiek met elkaar in dialoog treden; vaak georganiseerd, maar door de opzet van het festival misschien nog vaker gewoon spontaan.

Op een speelse manier, en zonder te moraliseren, handelen deze voorstellingen over de manier waarop we samen-leven. Ze gaan voorbij aan de ik-gerichte mentaliteit, waarbij we ons een identiteit aanmeten door te consumeren en de ander liefst in digitale vorm tegenover ons zien, en ze laten ons ervaren dat wij altijd deel uitmaken van een groter geheel. Ze tonen de kwetsbaarheid van het individu ten opzichte van de groep of de omgeving. Ze maken expliciet hoe wij onszelf positioneren, hoe we de ander tegemoet treden in de publieke ruimte. Om vervolgens te appelleren aan onze verbeeldingskracht en improvisatievermogen om boven onszelf uit te stijgen. En in sommige gevallen leidt dat tot een werkelijk betekenisvolle, gedeelde ervaring, waar zowel de spelers als alle toeschouwers de hand in hebben. Dan zijn we geen buitenstaanders meer.

Suze Milius, Exhibit, 2015

Suze Milius
EXHIBIT

Bij het ervaren van een kunstwerk gaat het niet alleen om onszelf, het gaat ook om de mate waarin we ons aanpassen aan de omgeving, aan de andere bezoekers. Ken je de juiste manieren, de codes, het discours? Bij een popconcert praat je door de muziek heen en drink je pils uit een plastic beker; bij een klassiek concert bestel je in de pauze een kopje thee. De geoefende kunstbezoeker glijdt in en uit die verschillende contexten, als een gerieflijke jas. Maar soms wordt het verwarrend: wanneer verschillende contexten mengen, of wanneer we ons al te bewust worden van die codes.

Na binnenkomst in de DMT Loods, een voormalige machinefabriek aan de rand van een Bossche wederopbouwwijk, lijkt onze rol duidelijk. Zodra jassen en tassen zijn afgegeven bij de garderobe, krijgen we een sticker opgeplakt die vermeldt: ‘visitor’. De hoge, gure hal is tijdens Festival Cement het toneel voor EXHIBIT. Speciaal voor dit project van Suze Milius (1986) is hier een heuse white cube opgebouwd, een expositieruimte met metershoge witgekalkte wanden.

Zes jonge kunstenaars hebben voor deze expositie nieuw werk gemaakt, meldt de catalogus die in het museumwinkeltje wordt uitgereikt. De toelichtingen in het boekje, de zaaltekst en de titelkaartjes zijn in het ‘International Art English’ gesteld, de wollige taal waarvan kunstenaars en tentoonstellingsmakers zich wereldwijd bedienen om aan te geven dat hun werk vooral serieus genomen dient te worden. Is dat ook de bedoeling bij de kunstwerken die hier zijn uitgestald? Wat te denken van deze reusachtige bordkartonnen neus, van de doorzichtige zakjes met veelkleurige pilletjes, van die opgerolde, zwartgeblakerde tekening?

In de expositie staat het kijken centraal, zo valt te lezen: ‘Looking, we might say, is the reflection of the other in oneself. What we reflect on will direct what we notice and regard in our future; when we look we redefine who we are.’ Deze bespiegeling geldt evengoed voor de bezoekers. Voorovergebogen tuurt iedereen naar het kaartje naast het kunstwerk, dan naar het werk zelf, en met de hand op de heupen opzij naar de andere bezoekers. Het is een voortdurende plaatsbepaling: waar sta ik in de ruimte? Hoe gedraag ik me ten opzichte van de anderen? Laat ik merken dat ik niet direct een sluitende interpretatie paraat heb?

Deze stortvloed aan vragen komt grotendeels voort uit de manier waarop de kunstwerken worden gepresenteerd, stelt auteur Johan Idema. Op uitnodiging van Suze Milius is hij te gast op het festival; in aanloop naar EXHIBIT gaat Idema met haar en René Pingen, directeur van Stedelijk Museum ’s-Hertogen- bosch, in gesprek over zijn recent verschenen boek How to Visit an Art Museum. Hierin betoogt hij dat de steriele ruimte van de white cube en de daar gelden- de gedragsregels juist verhinderen dat je werkelijk geraakt wordt door de kunst. Idema beschrijft vervolgens hoe je als bezoeker zelf het heft in handen kunt nemen om tot een werkelijk betekenisvolle kunstervaring te komen. Een paar van zijn tips: laat je leiden door de onbevangen blik van kinderen. Of: veins een hernia en neem je eigen klapstoel mee en zet ‘m neer waar je maar wilt. Of: spreek de mensen aan die op dagelijkse basis tussen de kunstwerken verkeren en vraag naar hun ervaringen.

De laatste tip is effectief. De verkoopster van het museumwinkeltje hoeft niet lang na te denken over haar favoriete werk: Le Miroir. Tijdens de opbouw van de tentoonstelling heeft ze gezien hoeveel tijd en aandacht er zijn besteed aan deze installatie van Justine Bougerol. Inderdaad: wie door het openstaande deurtje van een antiek kastje kijkt, ziet een doorkijkje naar een verborgen kamer die in lichterlaaie lijkt te staan. Bougerol (1988) speelt hier met de voyeuristische blik van de op sensatie beluste toeschouwer. Met dubbele wanden en spiegels creëert zij een illusie die onze waarneming op scherp stelt. Dit is een werk dat speels is én serieus genomen dient te worden.

De architectuur van de expositieruimte stuurt ons langs alle werken, en uiteindelijk naar een tribune die tegen een zijwand van de loods is opgesteld. Ook deze conditioneert ons: we gaan zitten en schieten in de rol van theaterpubliek. Zwijgend kijken we naar een klok die aftelt naar nul. En dan… Door een ingenieuze ingreep wordt de gesloten architectuur van de expositieruimte een opengewerkte kijkdoos. De voorstelling is begonnen. Waar wij zojuist nog liepen, dwalen nu vijf spelers. Terwijl wij veilig weggedoken zitten op de donkere tribune, is het nu aan hen om een houding aan te nemen ten opzichte van de ruimte, de daar tentoongestelde kunstwerken – en de ander. Ze bekijken de kunstwerken, lezen de tekstbordjes en werpen elkaar steelse blikken toe. Het roept herkenning op, zelfs als de handelingen steeds absurder worden. Het om elkaar en de kunst heen dralen eindigt in een grotesk ballet. Een speler jengelt als een kind: ‘Ik snap het niet, ik wil naar huis.’ Eén voor één verdwijnen de spelers in het kastje van Bougerol om via een achterdeur weer te verschijnen.

Gaandeweg verandert EXHIBIT in een ontluisterend portret van de kunstprofessionals die grossieren in hermetische artspeak om te verbloemen dat zijzelf óók geen idee hebben hoe ze betekenis moeten ontlenen aan een kunstwerk. ‘I think artists have a feeling that I take them seriously,’ zegt één van hen in een verbaal duel, waarbij de performers tegen elkaar opbieden wie het meest ingevoerd is in de wereld van de hedendaagse kunst. Als tegengif tegen deze blaaskakerij lijkt Milius een speels onderzoeken van de wereld voor te schrijven – en een blijmoedig accepteren van het eigen falen.

De blik van de bezoeker maakt in EXHIBIT een rondedans. In de expositieruimte is zij gericht op de kunstwerken en de andere bezoekers, in de voorstelling is zij gericht op de spelers en uiteindelijk, via de lachspiegel die zij ons voorhouden, op onszelf.

EXHIBIT, concept & regie: Suze Milius; performers: Miguel Do Vale, Stefan Jakiela, Laurence Roothooft, Evelyne Rossie, Nadia van Vuuren; beeldend kunstenaars: Justine Bougerol, João Freitas, Gijs Milius, Pieter van den Bosch, Dennis Vanderbroeck; scenografie: Breg Horemans; productie: House Crying Yellow Tears, SOAP; 2015